De Oosterschelde: Mosselvisserij en mosselkweek

Mosselen zijn weekdieren die vooral in de kustgebieden leven. De Oosterschelde en de Waddenzee zijn de gebieden in Nederland waar de mosselen het beste gedijen. De mossel is een kweekproduct. Hij dankt zijn smaak en kwaliteit aan de zorg die mosselkwekers besteden aan het kweekproces dat begint met het vangen van mosselzaad.

In het voorjaar laten de volwassen mosselen hun zaadcellen los in het water. Wolken van miljoenen mannelijke en vrouwelijke cellen vinden elkaar in het water. Na verloop van tijd vormt zich rond de larven een schelpje dat door zijn gewicht op den duur naar de bodem zakt. Met behulp van draadjes houden de kleine mosseltjes, wat dan mosselzaad genoemd wordt, elkaar vast en hechten aan de zeebodem. Een mosselzaadje is ongeveer 1 centimeter groot. Het broedsucces verschilt van jaar tot jaar. Er zijn jaren dat er helemaal geen nieuw mosselzaad wordt gevonden.
Voor een goede kraamkamer is niet alleen zout water nodig, maar ook zoet.
Door de Deltawerken (o.a. de aanleg van de dammen tussen de eilanden) komt er minder zoet water in de Oosterschelde, waardoor er minder mosselzaad valt dan voorheen. Tot nu toe alleen in 1994 en 2001. De mosselkwekers (plm. 80) zijn dus voor hun kweek helemaal aangewezen op het mosselzaad van de Waddenzee. Zij vissen hierop in het voor- en najaar.

Mosselen eten plankton. Het langsstromende water neemt dit mee en de mosselen filtreren het voedsel eruit en het slib dat meekomt, spugen ze weer uit. Een mossel kan per dag 100 liter water verwerken. De plaats waar de mosselen liggen bepaalt de snelheid van hun groei. Op plaatsen waar voedselrijk water stroomt, groeien ze het hardst.
Gemiddeld doen mosseltjes er twee jaar over voordat zij goed zijn voor de consumptie.
Na een jaar zijn ze ongeveer 4 cm. Eenjarige mosselen worden halfwasmosselen genoemd. De halfwasmosselen worden gezaaid op de meest groeizame percelen en bereiken een jaar daarna het stadium van consumptiemossel.

In Yerseke staat de enige mosselveiling van Nederland. De gekochte mosselen worden gedeponeerd op de percelen van de handelaren in de Kom van de Oosterschelde (de natte pakhuizen). Deze grond is zeer geschikt om de mosselen zandvrij te krijgen.
Vanaf deze plaats gaan de mosselen naar de verwerkingsbedrijven en worden klaargemaakt voor de reis naar het bord van de mosselliefhebbers. Die zijn vooral in België te vinden, maar ook in Frankrijk en steeds meer ook in Nederland.

Oestervisserij en oesterkweek

Tot 1963 was de Oosterschelde een zeer belangrijk productiegebied voor de Zeeuwse platte oester. De strenge winter van 1963 was voor de oesterkwekers een rampjaar. Tijdens die winter vroor bijna de gehele populatie kapot en de overblijvers waren niet in staat het bestand te laten herstellen.
Met importoesters werd geprobeerd de kweek van platte oesters weer op te pakken, maar met de import werd ook een ziekte geïmporteerd, Bonamia. Die zorgt er voor dat een platte oester na het derde levensjaar sterft. Het kweken van platte oester gebeurt alleen nog in de Grevelingen. De ziekte is overigens niet schadelijk voor de mens.

In de zestiger jaren was het nog steeds de bedoeling dat de Oosterschelde zou worden afgesloten. Om de oesterkwekers te helpen, werd het toegestaan de Japanse oester te importeren, ook wel de creuse genoemd. Tot de afsluiting zou dit enig soelaas bieden voor de oesterkwekers. De Oosterschelde bleef open en de creuse bleek zich tegen de verwachting in de Oosterschelde te kunnen voortplanten en zich ook in strengere winters te handhaven. Hij is ook niet ziektegevoelig.

In juni laten de oesters hun zaad los. Het water is dan warmer dan 18 graden. De oesterkwekers leggen mosselschelpen of kokkelschelpen in het water, waarop de oesterlarven kunnen hechten. April/mei van het volgende jaar kunnen de broedjes worden opgevist en net als mosselen op een perceel worden gezaaid. Daar groeien ze in drie á vier jaar op tot een consumptieoester.

Kokkelvisserij

Kokkelvisserij Kokkels zijn evenals mosselen schelpdieren die vooral voorkomen in de Oosterschelde en Waddenzee. Op kokkels wordt al eeuwenlang handmatig met een hark gevist. Vanaf de jaren ’60 wordt er ook mechanisch op gevist. De visserij is aan een vergunningenstelsel gebonden en de vissers, georganiseerd in een Producentenorganisatie, mogen pas vissen als er voldoende ligt voor de vogels.

Het kokkelbestand kan van jaar tot jaar zeer sterk schommelen. Dit hangt, net als bij de mosselen, vooral af van het succes van de nieuwe broedval. Strenge winters kunnen het kokkelbestand decimeren. Kokkels zijn planktoneters, zij worden meestal niet ouder dan 4–5 jaar. In de jaren dat mag worden gevist, wordt eerst een visplan opgesteld. Hierin staat wanneer, met hoeveel schepen en op welke wijze zal worden gevist. Het accent ligt daarbij op duurzaam vissen, waarbij met name beheerst en selectief wordt gevist op de grootste exemplaren.

Kokkels worden vrijwel allemaal tot conserven verwerkt. In Yerseke staan drie fabrieken die de kokkels inblikken of invriezen. Kokkels worden in ons land bijna niet gegeten, wel in zuid Europa en het Verenigd Koninkrijk.

Oosterschelde kreeft

Evenals de oesters waren de kreeften ook slachtoffer van de strenge winter van 1963. Het gehele bestand was bijna verdwenen. Twintig jaar later werd een herstel van het bestand merkbaar en na voltooiing van de Deltawerken ging het steeds beter met de kreeft. Door de bouw van de Oosterscheldekering en de aanleg van de dammen komt er minder zoet water in de Oosterschelde. Niet goed voor het mosselzaad, maar wel voor de kreeft. In de winter houden zij zich schuil in de diepte van de Oosterschelde. In het voorjaar komen zij weer te voorschijn en planten zij zich voort. Ook verschalen zij in deze periode.

Momenteel is er sprake van een goed bestand. Om dit zo te houden zijn beheersmaatregelen noodzakelijk. Te kleine kreeften (kleiner dan 24 cm.), kreeften die aan het verschalen zijn en eidragende vrouwelijke kreeften worden ontzien en in het water teruggezet. Sinds 1 april 2003 maken de vissers een gaatje in de staart van eidragende kreeften. Met een dergelijk gaatje dat de kreeft overigens geen pijn doet, wordt de kreeft herkend als zaadkreeft en dit werkt preventief in het handelsverkeer. “Foute” kreeften worden namelijk herkend.

De kreeft mag worden gevangen van 1 april tot 15 juli. Daarna moeten alle kreeften die worden gevangen weer in de Oosterschelde worden teruggezet.

Oosterschelde paling

Op paling wordt gevist in april/mei en in de periode augustus tot december.
Als het water onder de 10 graden Celcius komt, trekt de paling weg. De grote schieralen verlaten het gebied helemaal om in de Sargassozee te paren. De nakomelingen komen met de warme golfstroom mee en een deel daarvan komt op deze wijze weer in de Oosterschelde terug.

Een paling kan zowel in zout als in zoet water verblijven. De palingstand is over het algemeen zorgelijk en om die reden heeft het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in 2002 een Aalplan gepresenteerd. Het plan voorziet erin om de natuurlijke omstandigheden voor de glasaal te verbeteren om deze een betere kans te geven zijn weg te vinden.

Daarnaast moeten maatregelen de schieraal betere kansen geven om te ontsnappen. In het bijzonder hindernissen als sluizen en stuwen werken nadelig op de “mobiliteit” van de paling.

Sleepnetvisserij

Een handjevol vissers vist van tijd tot tijd met een sleepnet op de Oosterschelde.
Zij vangen tong, schol en zeebaars, soms garnalen, maar ook paling en kreeft komt in de netten.

Er wordt gevist met kotters die ook op de Noordzee kunnen vissen.

Over koken

Samenwerking

JMW Culinair kwaliteit en
continuïteit in de keuken

Kokswinkel
voor al uw koksartikelen

Rungis BV
Enthousiast over groenten

Libre Verpakkingen
vacuumzakken en meer

Werken in een Hotel
top vacatures in de horeca

Schmidtzeevis Rotterdam
133 soorten verse vis

Ontdek nu Shiro Maguro het alternatief voor tonijn

De Culinaire Makelaar
koks en nog eens koks

Honig Professional Jam Sessie door meesterkoks

Restaurantgids.nl
de grootste online gids

Gratis nieuwsbrief